Hoe gaat Cruydt-Hoeck om met plaaginsecten?
vlinder flower
Hoe gaat Cruydt-Hoeck om met plaaginsecten?

Hoe gaat Cruydt-Hoeck om met plaaginsecten?

Datum: 9 juni 2021

Diversiteit is het sleutelwoord bij effectieve natuurlijke plaagbeheersing. De verscheidenheid aan planten en structuur in het landschap biedt voedsel en habitat voor allerlei diersoorten; elk met een unieke rol in het ecosysteem. Deze diversiteit zorgt voor veerkracht. Het idee daarachter is dat een natuurlijke vijand de populatie van een plaaginsect in toom houdt, nog voordat het überhaubt de kans krijgt om zich te ontwikkelen tot een ware plaag. Op onze eigen teeltvelden volgen we de processen nauwkeurig en bewegen we mee met de dynamiek van de natuur. Op de korte termijn lijkt dat soms niet even effectief, maar op de langere termijn is dat het wel. Dat doen we op een aantal manieren:

Door het grote aantal gewassen dat wij verbouwen passen we eigenlijk automatisch al een vorm van strokenteelt en biodiverse teelten (meerdere soorten per veld) toe. Onderzoekers van de Wageningen Universiteit toonden al aan dat het aantal insecten verdubbelt, en in sommige gevallen zelfs verviervoudigt (!), wanneer er meerdere gewassen op één akker verbouwd worden. Dit effect zet zich door in de gehele voedselketen, waardoor er een zeer biodivers agrosysteem ontstaat. Dit effect versterken we door structurele landschapselementen rondom de teeltvelden te realiseren. Hierbij kun je denken aan gemengde hagen en stroken met kruiden die langs de velden staan, maar ook de wat minder aantrekkelijke stukjes kale grond, overhoekjes met ruigtevegetatie en zonnige hellingen. Deze plekken zijn belangrijk om vogels en andere dieren voedsel en beschutting te bieden zodat er dus ook een leefgebied ontstaat voor waardevolle soorten sluipwespen, lieveheersbeestjes, spinnen en andere plaagbestrijders. Deze twee factoren zorgen voor een divers landschap waarin nuttige insectenpopulaties zichzelf in stand kunnen houden.

Onthoud twee dingen!

Wanneer een plaag toch de overhand lijkt te krijgen op een van onze gewassen, onthouden wij altijd twee dingen:
[1] plaaginsecten zijn onderdeel van een ecosysteem. Wanneer deze plaag wordt uitgeschakeld heeft dit effect op allerlei andere (voor ons misschien wel gunstige) soorten in zijn levensgemeenschap, wat op de lange termijn juist in ons nadeel kan werken.
[2] ook een evenwichtig systeem is dynamisch en schommelingen horen er bij. Wat zich het ene jaar tot een ware plaag ontwikkelt, wordt het jaar erop vaak zonder ingrijpen opgelost wanneer er natuurlijk evenwicht is.

Onze ervaring op de teeltvelden

In de praktijk hebben we beperkt ervaring met werkelijke plagen. De grootste plaag is het damhert, die hier lokaal is ontsnapt. Onze oplossing tot nu toe is om hekken (netten) te plaatsen rondom de meest smakelijke teelten. Daarnaast hebben we gespecialiseerde plagen op bepaalde gewassen, zoals een kevertje op de weegbree en een bladwesp (Tenthredo zona) op hertshooi. Bij de hertshooi dachten we dat het nodig was om de vele honderdduizenden rupsen van de bladwesp te bestrijden. Verschillende pogingen werden gedaan met behulp van verschillende aaltjes. Het werkte helemaal niet. De planten werden volledig kaal gevreten. Daarna liepen de planten weer vrolijk uit en hebben ze gebloeid en zaad gezet. Zolang de planten op een plek groeien waar ze blij van worden is er blijkbaar niet veel aan de hand.

Deze ervaring versterkt ons idee dat plagen zich vanzelf oplossen. Bij de ene plaag is het soms wat spannender dan de andere. Bij bonenluis op Vogelwikke zien we binnen een paar dagen al sluipwespen op de luis af komen. Op Gele lis zitten altijd Lissnuitkevers die de zaden doorboren. Tenzij je lissen teelt op de eilanden, want blijkbaar houdt de kever niet van een zilt milieu.

Soms hebben we een wat lagere opbrengst door een plaag, maar als we de teelt dan een beetje groter maken is dat probleem opgelost. Bovendien zijn al deze beestjes weer voer voor tal van vogels. De Gele kwikstaart en Roodborsttapuit en andere vogels breiden zich steeds verder uit op onze teeltvelden.

Bed waar het blad van de Sint Janskruid (Hypericum perforatum) is opgegeten door de rupsen van bladwespen.