Wil je echt een verschil maken voor wilde bijen, vlinders, vogels en andere dieren, dan dien je een volwaardig leefgebied te creëren. In deze fase gaat het dus niet alleen om meer inheemse plantensoorten toevoegen, maar om structuur in je tuin aan te brengen: variatie in hoogte, bloeitijd, kleine leefplekken en beheer.
Bekijk je tuin eens door de ogen van een wilde bij, egel of vink. Wat heeft het dier nodig om hier te leven? De zes V’s - verbinding, voedsel, veiligheid, vocht, voortplanting en variatie – helpen om die vraag concreet te maken. Door deze voorwaarden in samenhang toe te passen, groeit een beplanting uit tot een samenhangend en duurzaam leefgebied.
Verbinding: van losse planten naar samenhang
Verbinding tussen leefgebieden is essentieel. Op kleine
schaal kan dat beginnen met enkele inheemse planten op een balkon, in een
geveltuin of in een boomspiegel. In een tuin ontstaat verbinding door
beplanting niet als losse eilandjes aan te leggen, maar als samenhangende
zones: een overgang van gras naar kruiden, van lage naar hogere vegetatie, van
open naar beschut. Zulke overgangen – ook wel ecologische randen genoemd – zijn
vaak soortenrijker dan uniforme vakken. Ze maken verplaatsing mogelijk en verkleinen
de kans dat dieren geïsoleerd raken. Zelfs in een kleine tuin kan zo een
netwerk van microleefgebieden ontstaan.
Voedsel: structuur in tijd
Een gevarieerde beplanting zorgt niet alleen voor
diversiteit in soorten, maar vooral voor continuïteit in bloei. Door vroege,
midden- en laatbloeiers te combineren ontstaat voedsel van het vroege voorjaar
tot diep in het najaar. Nectar en stuifmeel ondersteunen insecten, insecten
vormen op hun beurt voedsel voor vogels en andere dieren. Ook in de winter
blijft voedsel relevant, bijvoorbeeld via zaden en bessen. Door bloeitijd
bewust te spreiden, voeg je niet alleen soorten toe, maar bouw je aan een
functionele voedselketen.
Veiligheid en voortplanting: ruimte voor natuurlijke
processen
Dieren hebben behoefte aan beschutting, nestgelegenheid en
overwinteringsplekken. Je maakt dat mogelijk door in ieder geval een deel van
de inheemse planten jaarrond te laten, blad te lagen liggen en plaatselijk
ruigere stukken te ontwikkelen. Takkenrillen, dichte hagen of kleine zandige
plekken vergroten de kansen voor nestelende insecten en kleine zoogdieren. Beperkte
verstoring is daarbij minstens zo belangrijk. Intensief maaien, kunstlicht of
voortdurend ingrijpen kan het ecologisch herstel belemmeren. Door beheer te
faseren – bijvoorbeeld gefaseerd maaien en maaisel afvoeren – krijgen de
planten de kans zich natuurlijk te ontwikkelen.
Vocht: variatie in microklimaat
Water op balkons en in tuinen is onmisbaar. Een eenvoudige
waterschaal, een kleine poel of een plek waar regenwater tijdelijk kan blijven
staan, kan al verschil maken. Zulke elementen trekken insecten en vogels aan.
In grotere tuinen kunnen natte en drogere zones naast elkaar bestaan en
ontstaat er een rijker palet aan leefomstandigheden voor amfibieën en andere
soorten.
Variatie: de kern van functionele structuur
Variatie in bodem, hoogte, dichtheid en beheer vormt de
basis van een veerkrachtige tuin. Afwisseling tussen open en gesloten
vegetatie, kort en hoog, zonnig en beschaduwd maakt het mogelijk dat meer
soorten zich vestigen. Deze gelaagdheid is niet alleen esthetisch
aantrekkelijk, maar verhoogt ook de ecologische stabiliteit. Een tuin met
structuur is beter bestand tegen droogte, extreme neerslag en ziektes dan een
uniforme beplanting.