De stille crisis
De stille crisis onder onze voeten
Als het gaat over de achteruitgang van de Nederlandse natuur, denken de meeste mensen aan vogels, vlinders of zoogdieren. Maar ook planten verdwijnen in hoog tempo uit ons landschap, zegt Nils van Rooijen, ecoloog bij de onderzoeksgroep Vegetatie en Landschapsecologie aan de WUR en tevens projectleider bij Het Levend Archief. Dat gebeurt vaak ongemerkt. Niet alleen verdwijnen soorten volledig, ook de populaties die nog over zijn verliezen langzaam hun genetische veerkracht. ‘Dat proces vormt misschien wel een van de grootste, maar minst zichtbare bedreigingen voor onze biodiversiteit.’
Planten verdwijnen ongemerkt
De kwaliteit van Nederlandse landschappen neemt al decennia af. Dat geldt ook voor de beschermde soorten die karakteristiek zijn voor die landschappen. Inmiddels verkeert ongeveer driekwart van deze soorten in een ongunstige staat van instandhouding. Bij planten is de situatie niet anders. ‘Nederland telt ongeveer 1.500 inheemse wilde plantensoorten,’ zegt Van Rooijen. ‘Van die soorten staat inmiddels een derde op de Rode Lijst. Sommige zijn kwetsbaar, andere ernstig bedreigd en enkele zijn inmiddels verdwenen. Zo is Wildemanskruid in Nederland uitgestorven. En natuurlijk hoort uitsterven bij de natuur, maar niet in het tempo waarin dat nu gebeurt.’
Ook soorten die ooit algemener waren, verdwijnen langzaam uit beeld. Kleine tijm kwam in 1975 nog op veel plaatsen voor. Vijftien jaar later was het verspreidingsgebied al flink geslonken. In 2010 waren nog minder populaties over en anno 2025 resteren slechts enkele, vaak ver van elkaar verwijderd. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de plant zelf, maar ook voor insecten die afhankelijk zijn van de nectar en voor de uitwisseling van stuifmeel tussen populaties.
De onzichtbare achteruitgang
‘Het verdwijnen van soorten is zichtbaar wanneer een plant helemaal uit een gebied verdwijnt. Minder zichtbaar is wat er gebeurt met de populaties die nog over zijn. Ook wanneer een soort nog op meerdere plekken voorkomt, kan haar genetische gezondheid langzaam achteruitgaan,’ legt Van Rooijen uit. Dat proces noemen biologen genetische erosie. Een plantensoort kan dus op papier nog aanwezig zijn, terwijl de genetische basis die nodig is om zich aan te passen aan veranderingen steeds smaller wordt. Juist die onzichtbare achteruitgang bepaalt uiteindelijk of een populatie op lange termijn kan overleven.
Van twee groeiplaatsen naar nul
Sommige voorbeelden die Van Rooijen beschrijft zijn ronduit confronterend. ‘Bleek schildzaad groeide nog op slechts twee plekken in Nederland in Zuid-Limburg en in de duinen van Berkheide. Vorig jaar werd de soort op geen van beide locaties meer teruggevonden… Ook Groensteel, een zeldzame varen, is vrijwel verdwenen.’ De soort groeide onder meer bij een oud sluizencomplex in het Groningse Musselkanaal en op een muur in hartje Amsterdam. Na renovatie van de sluis verdween de Groningse groeiplaats en nu resteert de soort alleen nog in Amsterdam.
‘Een recenter voorbeeld is Scherpkruid,’ vervolgt Van Rooijen. ‘De laatste Noord-Hollandse populatie groeide op landbouwgrond. De eigenaar wilde graag een oplossing voor de beschermde plant en vroeg herhaaldelijk hulp aan de lokale overheden, maar die bleef uit. Uiteindelijk ploegde hij zijn akker om. Gelukkig stak hij vooraf enkele planten uit en zette deze in potten, waardoor het genetisch materiaal en de zaden behouden zijn gebleven. Maar in het wild is de soort waarschijnlijk uitgestorven.’
Ook algemene soorten verliezen terrein
Niet alleen zeldzame planten staan onder druk. Van Blauwe knoop is in de afgelopen vijftig jaar ongeveer zestig procent verdwenen. Minder zichtbaar is dat ook de kwaliteit van de resterende populaties achteruitgaat. ‘Populaties worden kleiner en bestaan uit steeds minder individuen. Hetzelfde beeld zien onderzoekers van WUR en FLORON bij Pinksterbloem.’ Daarom wordt er momenteel gewerkt aan een zogenoemde Roze Lijst. Waar de Rode Lijst vooral kijkt naar soorten die in verspreiding of aantallen achteruitgaan, brengt de Roze Lijst soorten in beeld waarvan de populaties langzaam ‘verdampen’. Ze zijn er nog wel, maar worden genetisch en demografisch steeds kwetsbaarder. Inmiddels staan zo’n 280 plantensoorten op deze lijst.
Waarom verbonden populaties zo belangrijk zijn
In een gezond landschap staan populaties met elkaar in verbinding. Zaden worden verspreid door wind of dieren en stuifmeel wordt vervoerd door insecten. Daardoor wisselen populaties voortdurend genetisch materiaal uit. ‘Planten trekken zich ook niets aan van provincie- of landsgrenzen,’ zegt Van Rooijen. ‘En dat is maar goed ook, want juist die uitwisseling zorgt ervoor dat populaties gezond blijven en zich kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden. Maar het Nederlandse landschap is sterk versnipperd geraakt.’ Ook natuurgebieden liggen steeds geïsoleerder, waardoor populaties verder uit elkaar komen te liggen. De natuurlijke uitwisseling van genen neemt daardoor af.
Waarom genetische variatie zo belangrijk is
Die genetische uitwisseling vindt binnen een plantensoort normaal gesproken voortdurend plaats. Welke eigenschappen gunstig zijn, verschilt per jaar. Een nat voorjaar stelt andere eisen dan een droge zomer. Echter, hoe groter de genetische variatie binnen een populatie, hoe groter de kans dat sommige planten eigenschappen bezitten waarmee zij goed omgaan met veranderende omstandigheden. Die variatie vormt als het ware de verzekering van een populatie tegen onverwachte veranderingen. Maar zo waarschuwt Van Rooijen: ‘Wanneer populaties kleiner worden, neemt ook die genetische variatie af. Dat heeft verschillende gevolgen. Allereerst speelt toeval een veel grotere rol. Wanneer een paar planten toevallig geen nakomelingen krijgen, kunnen bepaalde genen volledig uit de populatie verdwijnen, ook al waren die helemaal niet nadelig. Dat proces heet genetische drift. Dit is een natuurlijk proces, maar in kleine populaties kan het effect erg groot zijn. Daarnaast neemt de kans toe dat planten zich voortplanten met nauwe verwanten. Daardoor steken schadelijke erfelijke eigenschappen vaker de kop op. Dit noemen we inteelt. Op termijn leidt dat tot inteeltdepressie: planten blijven kleiner, produceren minder bloemen, vormen minder of slechter kiemend zaad en hebben een kleinere kans om te overleven.’
Valkruid laat de gevolgen zien
Bij Valkruid zijn deze effecten goed zichtbaar. In kleine populaties neemt het aandeel witte zaden toe. Die zaden zijn niet kiemkrachtig. Tegelijkertijd vindt nauwelijks nog verjonging plaats. De populatie bestaat vooral uit oudere planten, terwijl jonge exemplaren nauwelijks meer verschijnen. Dat zijn duidelijke signalen dat de genetische gezondheid van de populatie onder druk staat. Ook bij Spaanse ruiter blijkt de werkelijkheid minder rooskleurig dan op het eerste gezicht lijkt. Een veld kan duizenden planten bevatten, maar veel daarvan zijn ontstaan uit dezelfde wortelstok en zijn genetisch dus identiek. Wat duizenden planten lijken, blijken soms slechts tien genetische individuen te zijn. Als uiteindelijk maar twee daarvan bloeien, zijn ook slechts twee planten verantwoordelijk voor de volgende generatie. De genetische basis wordt daardoor steeds smaller.
Elke plantensoort kent zijn eigen genetische uitdagingen
‘Genetische erosie verloopt niet bij iedere soort hetzelfde. Eenjarige planten hebben elk jaar slechts één kans om een nieuwe generatie voort te brengen. Als dat mislukt, is een hele generatie verloren. Kandelaartje laat dat goed zien. Sommige jaren kleuren de Zuid-Limburgse kalkrotsen felrood van deze plant, terwijl er een jaar later nog maar een fractie over is. Juist die kleine populatie bepaalt dan de genetische samenstelling van de volgende generatie.’ Zulke schommelingen kunnen leiden tot zogenaamde genetische bottlenecks, waarbij veel genetische variatie in één keer verloren gaat. Ook de manier van bestuiven speelt een rol. Soorten die afhankelijk zijn van kruisbestuiving zijn veel gevoeliger voor genetische erosie dan soorten die zichzelf kunnen bestuiven. Daarnaast verschilt ook de genetische opbouw van soorten. Sommige soorten zijn diploïd en hebben van elk chromosoom twee kopieën, terwijl polyploïde soorten meerdere chromosoomsets bezitten. Dat beïnvloedt hoe soorten omgaan met genetische variatie en hoe gevoelig ze zijn voor hun omgeving.
Herstel begint bij het landschap
‘De beste manier om genetische erosie tegen te gaan is het herstellen van landschappen. Populaties moeten weer met elkaar verbonden raken, zodat natuurlijke uitwisseling van zaden en stuifmeel mogelijk wordt. Soms is actief ingrijpen noodzakelijk. Bijvoorbeeld door populaties te versterken of nieuw plantmateriaal toe te voegen. Maar daarbij is grote voorzichtigheid geboden. Een margriet is namelijk niet zomaar een margriet.’ Genetisch onderzoek laat steeds vaker zien dat populaties van dezelfde soort sterk van elkaar kunnen verschillen. ‘Knikkend nagelkruid is daarvan een goed voorbeeld. Toen Brabantse populaties versterkt zouden worden met planten uit de Veluwe, bleek uit DNA-onderzoek van de WUR dat beide populaties genetisch nauwelijks verwant zijn. Ze bereikten Nederland na de laatste ijstijd via verschillende verspreidingsroutes en zouden elkaar onder natuurlijke omstandigheden waarschijnlijk nooit hebben ontmoet. Het mengen van zulke populaties kan ertoe leiden dat juist lokaal aangepaste eigenschappen verloren gaan. Nakomelingen zijn dan mogelijk minder goed aangepast aan hun leefomgeving.’ Dat verschijnsel noemen biologen uitteeltdepressie.
Wanneer herintroductie juist wél werkt
Dat betekent niet dat herintroductie altijd onwenselijk is. Voor de verhoging van de Afsluitdijk werden de afgelopen jaren zaden verzameld van bijzondere soorten als Wilde kool en Zeelathyrus. De zaden werden lokaal verzameld, vermeerderd en na afloop van de werkzaamheden teruggebracht naar dezelfde omgeving. Inmiddels groeit Zeelathyrus er weer. Juist doordat lokaal genetisch materiaal werd gebruikt, bleef de oorspronkelijke populatie behouden.
De keerzijde van bloemenmengsels
De populariteit van bloemenmengsels voor bijen brengt nieuwe uitdagingen met zich mee. Omdat het slecht gaat met wilde bijen, willen veel mensen helpen. Zelfs discountwinkels verkopen tegenwoordig bijenmengsels. Maar weinig mensen weten welke planten daarin precies zitten of waar het zaad vandaan komt. Zelfs wanneer op de verpakking ‘inheems’ staat, betekent dat niet automatisch dat het genetisch materiaal ook thuishoort in de Nederlandse natuur.
Van Rooijen plaatst dit in een breder perspectief. ‘Na de laatste ijstijd bereikten plantensoorten Nederland geleidelijk vanuit verschillende gebieden in Zuid-Europa. Sommige soorten kwamen zelfs met behulp van de mens. Zo reisde Grote vossenstaart vermoedelijk mee met de Romeinse cavalerie en werd Muurbloem door de Romeinen verspreid. Planten hebben zich altijd verplaatst.’ Het grote verschil is volgens hem het tempo en de schaal waarop dat nu gebeurt. Waar planten zich vroeger over honderden of duizenden jaren verspreidden, importeren we tegenwoordig in korte tijd grote hoeveelheden zaad uit Oost- en Zuid-Europa of zelfs uit Nieuw-Zeeland. Soorten als Steenanjer en Korenbloem worden op die manier regelmatig ingezaaid.
Bij deze soorten gaat het bovendien vaak om gekweekte varianten. Onderzoek naar de Korenbloem laat zien dat deze selecties aanzienlijk minder aantrekkelijk zijn voor wilde bijen dan de oorspronkelijke wilde vorm. ‘En wat er gebeurt wanneer zulke planten zich kruisen met Nederlandse populaties, weten we nog onvoldoende. Ze kunnen lokale genetische eigenschappen verdringen die zich gedurende honderden jaren aan de Nederlandse omstandigheden hebben aangepast.’